Classicisme1888
De intrede van Christus in Brussel
James Ensor
Het oog van de conservator
"Ensor gebruikt een agressief palet en gemaskerde gezichten om de religieuze, politieke en sociale hypocrisie van zijn tijd aan te klagen, wat dit doek tot een radicaal pre-expressionistisch manifest maakt."
Dit monumentale werk is een expressionistisch brandschrift dat de Belgische samenleving karikaturiseert als een carnavaleske menigte, waarin een genegeerde Christus wordt verstikt in de moderne chaos.
Analyse
Het werk is een moderne herinterpretatie van de triomfantelijke intocht van Jezus in Jeruzalem, maar dan verplaatst naar het Brussel van Ensors tijd. Christus, gezeten op een ezel, is verbannen naar de achtergrond en bijna onzichtbaar ten gunste van een groteske menigte bestaande uit burgerij, politici en fanfares. Deze "mythe" van de verlosser is hier ontdaan van zijn heilige karakter: Ensor schildert geen scène van vroomheid, maar het verdrinken van spiritualiteit in het lawaai van materialisme en massapolitiek. Christus draagt bovendien de gelaatstrekken van Ensor zelf, wat zijn identificatie onderstreept als een martelaar die door zijn tijdgenoten niet wordt begrepen.
De iconografische analyse onthult een felle satire op sociale structuren. De slogans op de spandoeken ("Vive la sociale", "Salut Jésus Roi de Bruxelles") vermengen socialistische aspiraties met oppervlakkige devotie en benadrukken het politieke opportunisme dat de goddelijke boodschap kaapt. De menigte is geen verenigd volk, maar een verzameling geïsoleerde individuen achter hun maskers, symbool voor de stedelijke vervreemding. Ensor transformeert de religieuze processie in een carnavalsparade waar het heilige een louter voorwendsel wordt voor profaan plezier en populistische eisen.
De schildertechniek van Ensor breekt gewelddadig met het academisme van die tijd. Hij brengt de verf aan met gulle impasto's, gebruikmakend van pure, bijna schreeuwerige kleuren die het oog aanvallen. Deze weigering van de klassieke "schoonheid" is een politieke daad op zich: om een lelijke en hypocriete samenleving te schilderen, moet de kunstenaar rauwe visuele middelen gebruiken. Het licht is niet langer natuurlijk, maar lijkt voort te komen uit de spanning van de menigte zelf, wat een sfeer van dreigende chaos creëert.
Het werk is ook een meditatie over de plaats van de kunstenaar-profeet in de stad. Door zichzelf af te beelden als Christus, geeft Ensor uiting aan zijn gevoel van afwijzing door officiële kunstkringen, met name de groep Les XX die weigerde dit doek tentoon te stellen. Het wordt de schreeuw van een man die zichzelf ziet als de enige ziende te midden van een wereld van gemaskerde blinden. Het is een belangrijk overgangswerk dat het Duitse expressionisme en het surrealisme aankondigt door zijn formele durf en psychologische intensiteit.
Ten slotte is de auditieve dimensie van het doek tastbaar. Men meent de fanfares, de kreten van de menigte en het gezoem van de stad te horen. Ensor slaagt erin om lawaai te schilderen. Het vluchtpunt naar het centrum, waar Christus zich bevindt, wordt voortdurend onderbroken door monsterlijke gezichten die zich tegen de toeschouwer aandrukken, waardoor de gebruikelijke veiligheidsafstand tussen het werk en de kijker wordt opgeheven.
Een van de meest opvallende geheimen ligt in de censuur die het werk onderging. Hoewel het in 1888 werd voltooid, werd het als zo schandalig en godslasterlijk beschouwd dat het pas in 1929 voor het eerst openbaar werd tentoongesteld. Ensor bewaarde het meer dan veertig jaar in zijn atelier in Oostende en leefde letterlijk met deze grijnzende menigte als zijn enige publiek. Er wordt gezegd dat hij het doek voortdurend bijwerkte en details toevoegde op basis van zijn wrok tegen de kunstkritiek en lokale politici.
Het masker, een centraal motief bij Ensor, verbergt een diep psychologisch geheim. Voor hem dient het masker niet om te verbergen, maar om de ware innerlijke lelijkheid van de ziel te onthullen. Ensor groeide op tussen de maskers die werden verkocht in de souvenirwinkel van zijn moeder in Oostende. In dit doek zijn de "echte" gezichten en de carnavalsmaskers ononderscheidbaar, wat suggereert dat de hele Belgische samenleving haar menselijk gezicht definitief heeft verloren ten gunste van een kunstmatige, commerciële identiteit.
Een compositorisch geheim ligt in het rode spandoek "Vive la sociale". Velen zien hierin een directe steun aan de Belgische Werkliedenpartij, maar Ensor, die diep individualistisch en sceptisch was, gebruikt het waarschijnlijk ironisch. Hij bekritiseert zowel de manipuleerbare menigte als de elites die hen leiden. Rechtsonder zijn gezagsdragers (magistraten, militairen) te zien wier gelaatstrekken zo misvormd zijn dat ze aan het dierlijke grenzen – een detail dat de toenmalige autoriteiten ongetwijfeld opvatten als een persoonlijke belediging.
De aanwezigheid van de Dood is een alomtegenwoordig maar discreet geheim. Als men goed naar de menigte kijkt, zijn er verschillende skeletten verborgen onder hoge hoeden of feestkostuums. Ensor herinnert eraan dat achter het tumult van het sociale leven en de politieke hartstocht, de eindigheid de enige zekere realiteit is. Deze dimensie van feestelijk macabere is typisch Vlaams, geërfd van Bruegel en Bosch, maar geactualiseerd in een moderne neurose van de kunstenaar.
Ten slotte bevat het werk een technisch geheim over de grootte ervan. Met een breedte van meer dan vier meter is het een van de grootste schilderijen op doek uit zijn tijd die zonder officiële opdracht zijn gemaakt. Ensor moest verschillende stukken doek aan elkaar naaien om deze afmetingen te bereiken. Het was een immense logistieke en financiële uitdaging voor een toen gemarginaliseerde kunstenaar, wat bewijst dat dit werk vooral een persoonlijke geloofsdaad en een innerlijke noodzaak was.
Word Premium.
OntgrendelenQuiz
Waar bevindt Jezus Christus zich in deze immense, drukke compositie?
Ontdekken

